Symbolische oproep voor machtswisseling in Bandjermasin, 1923. In historische verhandelingen wordt vaak melding gemaakt van de blanke bestuurlijke bovenlaag die Nederland in staat stelde Nederlands-Indië eeuwenlang aan zich te onderwerpen. Hoe dun deze bovenlaag was, tonen ons de plattegronden van grote steden in Indië: de rood of oranje ingekleurde Europese wijken worden omringd door allerlei […]
Kort geleden verschenen twee baanbrekende studies naar het door Nederlanders gepleegde geweld in de periode 1945-1949 in Nederlands-Indië: `Soldaat in Indonesië, 1945-1950´ van Gert Oostindie, en `De brandende kampongs van generaal Spoor´ van Remy Limpach. Joop de Jong vraagt zich af wat nu eigenlijk nieuw is aan de conclusies van deze studies.
Nederlandse militairen bij de Kali Brantas, Soerabaja, 1948 (NA)
Door Joop de Jong
Heeft Nederland de dekolonisatie van Indonesië ooit verwerkt? Al sinds de Excessennota in 1969 woeden er met de regelmaat van de klok in de media en de publieke opinie debatten, niet over de dekolonisatie als zodanig, maar over de oorlogsmisdrijven die Nederlandse militairen tussen 1945 en 1950 bedreven. Deze zich zelf repeterende discussies leverden zelden iets nieuws op.[i] Wel was er de laatste jaren een breed appèl tot nieuw onderzoek. De respons in de media op Soldaat in Indonesië…
In de Rubriek Binnenlandsche Nieuwstijdingen van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 5 juni 1855 stond het volgende bericht:
Slavernij in Nederlands-Indië? Volgens het NiNsee, kenniscentrum van het Nederlands Slavernijverleden, speelde slavernij zich af in Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en aan de westkust van Afrika. Nederlands-Indië wordt niet genoemd. Vermoedelijk vanwege de schaalgrootte: het relatief geringe aantal slaven daar viel in het niet bij de grote aantallen elders. Op 1 januari 1860, het van regeringswege bepaalde tijdstip waarop de slavernij in Nederlandsch-Indië moest zijn afgeschaft, werden 4739 personen in vrijheid gesteld. Ter vergelijking: in Nederlands westelijke koloniën werden drie jaar later 45.000 slaven vrijgekocht. Vrijgekocht, want per slaaf werd een schadeloosstelling van 300 gulden betaald. Aan de eigenaar wel te verstaan, ter compensatie van de weggevallen arbeidskracht. Overigens was betaling van het bedrag aan schadeloosstellingen in de West slechts mogelijk door de gigantische opbrengsten van het cultuurstelsel* in…
Zuiderkerk, Zandstraat 17, Amsterdam. Gebouwd tussen 1608 en 1614, ontworpen door Hendrick de Keyser
De Zuiderkerk in Amsterdam is er nog. Je kunt er naar toe en zo in de voetsporen treden van degenen die hier op 2 juni 1765 Baarent van Gumster ten doop hielden. Baarent, zoon van Isack van Gumster, scheepstimmerman in dienst van de VOC en van Christina Schotte. Afstammeling uit een familie van zeevarenden, want ook zijn grootvader Dirk Nicolaas was in dienst van de VOC, als opperzeilmaker.
Baarent wordt al jong wees. In februari 1774 overlijdt zijn vader Isack op zee, onderweg naar Kaap de Goede Hoop. Moeder Christina overlijdt amper een jaar later en 9-jarige Baarent komt samen met broertjes en zusjes terecht in het Burgerweeshuis. Hoe het hem daar vergaat is (nog) niet bekend, wel weten wij dat ook hij de VOC als werkgever kiest. Op de website http://vocopvarenden.nationaalarchief.nl/ is na te lezen…
Dagboek bijgehouden door M. Hilfman, Nederlandse commandant en arts van het Kamp Fukuoka 9B in de periode 1943 -1945 in Japan. Hetzelfde kamp als waar mijn vader in moest verblijven in de oorlog. Het is een indrukwekkend verslag van een betrokken commandant bij het wel en wee in het kamp.
Het boek is niet meer te krijgen op dit moment. Daarom deel ik de gekopieerde versie met als doel: opdat we niet de ontberingen vergeten die de krijgsgevangen in Japan in dit kamp hebben moeten ondergaan.
Op 24 december 1954, stoomden we op richting onze eindbestemming in het nieuwe land. Enkele weken ervoor namen we afscheid van Plaju bij Palembang op Sumatra met een laatste groet vanuit de Soos aan de Musi.
Afscheid vanuit de Soos aan de Musi
Ma en 5 kinderen waren ingeboekt op de Oranje. Mijn oudste zus was een jaar eerder al vertrokken. Pa zou enkele maanden later komen.
Met het vliegtuig eerst vanuit Palembang naar Djakarta. Mijn eerste vliegreis. Heel vaag weet ik me nog iets te herinneren. Het was ook een overhaast vertrek, in 2 weken geregeld. Financiële steun van werkgever (BPM/Shell) was nog net op tijd geregeld. Gelukkig was er een huisvriend die garant kon staan. In Djakarta nog een nacht of 2 doorgebracht voordat we definitief “scheeps” gingen op een voor mij en vele anderen enorme boot. We kregen met ons zessen een hut ergens achterin, derde klas, onderdeks. De patrijspoort schiet me nog als een herinnering door mij heen, evenals de grote hutkoffer waar alles in zat.
De Oranje, Amsterdam binnenvarend.
Van de reis weet ik slechts flitsen terug te halen. Sinterklaas in de eetzaal, Neptunus feest bij het passeren van de evenaar, spelletjes in de grote zaal en rennen door de kleine donkere gangen. In Port Said, aan het einde van het Suezkanaal werd er gelegenheid gegeven om waren en snuisterijen te kopen van de talloze verkopers die aan boord kwamen. Mijn duim werd bekneld door een zwaaiende mast van één van de bootjes en de reling van de Oranje. Met spoed naar de EHBO. In Genua (of was het Napels?) werd aangemeerd en mochten we enkele uren van boord. In een grote hangar kregen we extra warme kleren aangereikt. Moeder kocht cadeautjes voor ons. Een klein gitaartje was mijn deel.
Met respect kijk ik terug naar een dappere moeder van net 34 jaar die met 5 kinderen deze overtocht aandurfde. Mijn oudste zus, van 14 toen, moest een jaar eerder naar het nieuwe land. Het oudste kind van de vijf was 12, bijna 13 en de jongste was net 4 jaar. Met z’n allen op weg naar het nieuwe “vaderland”, zo werd gezegd.
En de bemanning had haast. Of het nu stormde of niet in het Kanaal, men wilde per sé met Kerstmis thuis zijn. En dat het stormde zal ik nooit vergeten. Alle dekken werden afgeschermd met grote zeilen. Iedereen moest in z’n hut blijven. Velen konden geen stap zetten vanwege de storm en de zeeziekte. Maar de tocht tussen Southampton en Amsterdam werd in de Kerstnacht afgerond. Al kotsend kwamen we aan. Gelukkig opgewacht door mijn oudste zus, plus een tante, oom en een nichtje. Daar stonden we dan, stevig ingepakt, vlak voordat we via een grote hangar naar bussen werden geleid. Mijn gitaartje stevig vasthoudend, half op schoot van m’n oudste zus. Daarna verwonderd kennismakend met iets van witte vlokken: sneeuw of zoiets.
Aankomst Amsterdam, 25 december 1954
Daarom betekent 25 december 1954 voor mij het begin van een nieuw geschiedenis in een groot vreemd land, een andere wereld. Op 25 december 1954 begon mijn geschiedenis in Nederland. Die datum staat in mijn geheugen gegrift.Nog steeds is het niet zomaar een overgang. Het is die band die er nog steeds is en blijft met een land (Vaderland en/of Moederland?) en niet door een overtocht in de geschiedenis is verdwenen.
De koloniale autoriteiten in Nederlands-Indië waren structureel gewelddadig. Klokkenluiders werden geïntimideerd, de bestuurlijke top gedoogde het extreme geweld en keek weg. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van historicus Rémy Limpach.
Limpach bij de presentatie van zijn boek
Door Anne-Lot Hoek
Op 26 februari 1949 verscheen er een anonieme brief in het weekblad De Groene Amsterdammer met als kop ‘Een officier schrijft uit Djocja aan zijn vrienden: een commentaar op ons.’ In de brief, die buiten zijn medeweten werd gepubliceerd, bekritiseerde deze officier het doden van Indonesische gevangenen met een nekschot, het verdoezelen door de autoriteiten van misdrijven en de martelingen door de inlichtingendiensten. Als represaille werden kampongs in brand gestoken, schreef hij, waarbij andere officieren hem aanraadden daar haast mee te maken, ‘voordat de bevolking de kans heeft gekregen eruit te vluchten’.
Goed artikel over de kanteling van het beeld over de koloniale oorlog in Indonesië, periode 1945-1950. Indië-veteraan Joop Hueting die op 17 januari 1967 bij “Achter het Nieuws” als één van de eersten openlijk sprak over de oorlogsmisdaden begaan door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië. Een schokgolf die nu nog steeds na trilt bij grote groepen mensen in de hedendaagse samenleving.
“In juni van dit jaar verschijnt bij Uitgeverij Boom de 900 bladzijden tellende studie van historicus Limpach onder de titel De brandende kampongs van generaal Spoor, waarin de auteur afrekent met het idee dat de oorlog in Indonesië een „schone” oorlog was, zoals het gewenste beeld graag wil.”
Waarheidsvinding en geschiedschrijving: zo belangrijk voor ons nageslacht. Opdat we niet vergeten.
Door zijn verhaal te vertellen op tv, in 1969, kantelde het beeld over de Nederlandse politionele acties in Indonesië. Joop Hueting blikt terug. „Mijn vrouw werd diezelfde avond opgebeld door veteranen dat ze met machinegeweren aan de overzijde van de straat lagen”.
Joop Hueting in de jaren ’60
Door Kester Freriks
Er komt een twinkeling in zijn ogen: Indië-veteraan Joop Hueting (Den Haag, 1927) kijkt „tevreden en gerustgesteld terug” op wat hij heeft bereikt met zijn televisieoptreden van ruim een halve eeuw geleden. Hij was een van de aller eersten die openlijk sprak over de oorlogsmisdaden begaan door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië. Hij deed dat in het programma Achter het Nieuws, van de VARA. Vrijdagavond 17 januari 1969. „Mijn bekentenis veroorzaakte een ontploffing.”
Nadat de Nederlandse cineast Joris Ivens in 1945 een film had gemaakt over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd kreeg hij grote problemen met de Nederlandse regering, geleid door Willem Drees (PVDA). Niet alleen werd de vertoning van de film In Nederland verboden, maar werd Ivens ook nog eens tot persona non grata verklaard. Want toen Ivens in 1947 in het buitenland vertoefde en hij bij de Nederlandse ambassade zijn paspoort ging verlengen nam de man achter de balie het paspoort mee naar achteren om even later te melden: “Het spijt me verschrikkelijk, ik mag u uw paspoort niet teruggeven, we hebben orders uit Den Haag gekregen”. “Maar ik ben toch Nederlander. Ik heb recht op een paspoort”, protesteerde Ivens. “Meneer Ivens, volgens onze grondwet is een paspoort geen recht, maar een gunst die het ministerie van Buitenlandse Zaken u al dan niet bewijst”, kreeg Ivens ten antwoord (informatie van Joris Ivens, september…
De grootvader van Ronald Nijboer diende tussen 1946 en 1948 in Nederlands-Indië en tekende zijn belevenissen op in een dagboek. Bijna zeventig jaar na de onafhankelijkheid van Indonesië bezoekt Ronald dezelfde plekken als zijn opa. Waarom weten we zo weinig van die tijd?
Door Ronald Nijboer
Op 17 augustus 1945, zeventig jaar geleden, roept Soekarno de Indonesische onafhankelijkheid uit. De Nederlandse overheid erkent de onafhankelijkheid niet en stuurt 200.000 soldaten om de orde in de kolonie te herstellen. Vol goede moed reizen oorlogsvrijwilligers en dienstplichtige militairen naar Indië om de bevolking te bevrijden van de terreur.
De werkelijkheid blijkt anders. Ze worden niet onthaald als helden, maar belanden in een complexe, vuile oorlog. Als de soldaten verslagen uit Indië terugkeren gaan ze over op een massaal stilzwijgen. Wat ze hebben meegemaakt, is vaak te heftig om te vertellen en de achtergebleven familie en vrienden kunnen zich maar moeilijk een voorstelling…